|
|
Structuur
en functie van het hart
Om te leven
hebben het lichaam en zijn organen energie nodig. Deze energie ontstaat
door de verbranding van voedsel dat langs de darm wordt opgenomen.
De bloedvaten van het spijsverteringsstelsel brengen de voedzame
bestanddelen uit de voeding aan en brengen de afvalstoffen naar
de lever voor afbraak. Vervolgens filtert en zuivert de nier het
bloed.
De bloedsomloop
zorgt ervoor dat het bloed overal in het lichaam voedsel en zuurstof
(O2) kan aanbrengen en afvalstoffen en verbrandingsgassen (koolstofdioxide
of CO2) kan afvoeren.

Het
bloed wordt rondgestuurd door de hartpomp, een krachtige holle spier
die gemiddeld 72 keer per minuut samentrekt. De pomp bestaat uit
twee delen die tegelijkertijd werken: het rechterhart voor de kleine
bloedsomloop, het linkerhart voor de grote bloedsomloop.
De
grote holle aders brengen zuurstofarm bloed naar de rechter hartboezem
die het doorstuurt naar de rechterkamer. De rechterkamer pompt via
de longslagader het zuurstofarm bloed in de kleine bloedsomloop
naar de long waar de gaswisseling gebeurt. Koolzuurgas wordt afgegeven
en zuurstof opgenomen. Het zuurstofrijk bloed keert via de longaders
terug naar de linkerboezem die het doorstuurt naar de linkerkamer.
De linkerkamer pompt via de aorta (grote lichaamsslagader) het bloed
in de grote bloedsomloop die het bloed in alle weefsels (organen,
spieren) van het lichaam brengt. De weefsels nemen zuurstof op en
geven koolzuurgas af. Het zuurstofarm bloed keert terug via de aders
die uitmonden in de twee holle aders die het bloed naar het rechterhart
brengen.
Zoals
alle weefsels heeft het hart bloed nodig dat voedingsstoffen en
zuurstof aanbrengt om te kunnen werken.
De kransslagaders of coronaire arteriën
ontspringen aan het begin van de aorta (grote lichaamsslagader)
en liggen als een kroon om het hart. Er zijn drie hoofdvaten met
talrijke vertakkingen die de hartspier volledig bevoorraden. Zo
is er een rechterslagader tussen rechterboezem en rechterkamer (de
rechter coronaire arterie of RCA) en een
linkerslagader die zich vertakt in enerzijds een vat dat loopt tussen
de linker- en rechterkamer (de linker anterior descendent
of LAD) en anderzijds een vat dat om het hart draait
tussen linkerboezem en linkerkamer (de linker circumflex
of LCX). Een grote ader brengt het bloed direct
terug in de rechterboezem.
De
kransslagaders hebben een wisselende doormeter. Ze kunnen uitzetten
(vb. Bij inspanning of door geneesmiddelen) of vernauwen door samentrekking
van de vaatwand (vb. bij koude of bij coronaire spasmen).
Opdat
de mens een gezond leven zou kunnen leiden moet dit hele stelsel
uiteraard goed werken. Op vele plaatsen in het lichaam kan er echter
iets misgaan. Geen wonder dus dat hart- en vaatziekten zich op een
erg verscheiden manier kunnen uiten.
[Top]
|